Home - Inhoud - Artikel-29 - Column 31 - Archief - DB-week 33 - red.
KRITIEK OP NIEUW-DENNENDAL.NL
WEEK 33
NO. 30

(15 aug.)

INTERACTIE:

Vanaf eind oktober 2003 zijn opgenomen de rubrieken DAGBOEK & PRIKBORD en COLUMN, via redactie te vullen door sitebezoekers. Bij het ontbreken van bijdragen springt de redactie in. Graag ondertekening met naam en toenaam, en eventueel e-mailadres. Ook een fotootje behoort tot de mogelijkheden. Een sleutelwoord of kopje is handig. Plaatsing van het dagboek gebeurt naar dag van ontvangst, voor de column is in principe de vrijdag gereserveerd. De plaatsing kan op zich laten wachten door technische problemen, afwezigheid van de muze, vakantie en andere omstandigheden

ONDERWERPEN:

De column- ruimte bij nieuw-dennendal.nl is bij uitstek gewijd aan het Vrije Woord. Ze kan worden gewijd aan ieder mogelijk onderwerp: van politiek, psychologie en spiritualiteit tot poŽzie en boekbespreking. Vanzelfsprekend blijft de redactie de eindverantwoordelijkheid behouden.
Er geldt in principe een minimum van 350 en een maximum van 500 woorden, maar uitzonderingen zijn mogelijk. Eventueel wordt over de vorm ge-emaild.


Dagboekinzendingen svp mailen onder 'dagboek', columns onder 'column'.


Kritiek:
DE GEEST VAN '68, een reactie op Tonkens' Humanist-essay

Door Hans Grimm

Evelien Tonkens heeft in de Humanist van afgelopen juni opnieuw een prachtig verhaal over Dennendal geschreven, een waardig vervolg op haar boek uit 1999. Hoewel het gaat om een essay van maar zo'n drieduizend woorden slaagt ze er in wezenlijke dingen toe te voegen aan de evaluatie van de 'Dennendalaffaire'. Dat wil niet zeggen dat haar Humanist-verhaal het laatste woord is. Dat kan ook niet. 'Dennendal' en de boodschap van revolutionaire vernieuwing zijn van alle tijden. Bijgaande kritiek is een poging nůg wat meer context te schetsen en het estafettestokje opnieuw een rondje verder te brengen. (Zie voor het artikel van Tonkens: Toen zelfontplooiing nog niet egocentrisch was

'Strikt genomen was de Dennendal-affaire niet meer dan een serie ordinaire personeelsruzies in een uithoek van de samenleving', zegt Tonkens in het begin van haar essay. De uitspraak is in de intro overgenomen en lokt onmiddellijk protest uit. Ze lijkt provocerend en is kennelijk ook zo bedoeld. Het gaat Tonkens erom de lezer op het verkeerde been te zetten, zodat ze daarna haar boodschap duidelijker kan etaleren.
'Maar achter die ruzies ging een fundamenteel conflict schuil over de waarde en de betekenis van zelfontplooiing: de vraag wat volwaardig menszijn is, wat rechtvaardigheid is en onderdrukking, en wat er allemaal nodig was om een nieuwe oorlog te voorkomen', aldus Tonkens, die vervolgens diep ingaat op de invloed van de oorlog - ze noemt met name het Eichmann-proces en de schok van de ontdekking van 'het gevaar van aangepaste braveriken'.
Verder vermeldt ze sociologen als Fromm en Marcuse die met vele anderen op zoek waren naar 'de niet-vervreemde, zichzelf ontplooiende mens (...) die nog niet bestond. De maatschappij gold als dermate vervreemdend, dat geen mens aan die verpestende invloed kon ontsnappen'.
Ze hamert er daarbij voortdurend op dat het beeld van de jaren '60 en '70 zoals dat in de decennia daarna door velen werd geschetst om afstand te nemen tot de verworvenheden van de periode - denk maar aan iemand als Frits Bolkestein -, niet klopt. De periode was niet narcistisch en egoÔstisch, het ging niet om het soort 'losgezongen' zelfontplooiing dat later in zwang raakte, maar integendeel om 'relationele en maatschappelijke ontplooiing'. Tonkens: 'Het was niet los te zien van een gemeenschappelijke poging tot maatschappijverbetering'. Het ging om 'een gezamenlijke ontdekking'.
Tonkens concludeert: 'De Dennendal-affaire is dus een mijlpaal in onze culturele geschiedenis. Niet vanwege de ruzies en het gehakketak waar de kranten vol van stonden, maar vanwege het culturele waardenconflict dat er aan ten grondslag lag.' In de slotalinea's spreekt ze de hoop uit dat het humanisme in staat zal zijn 'die sociale, maatschappijkritische invulling van zelfontplooiing op te eisen en voort te zetten'.
Wat valt hier nog aan toe te voegen?
De Amerikaan Paul Berman publiceerde in 1996 'A Tale of Two Utopias', waarin hij 'vier enorme revoluties' onderscheidt die in de periode speelden, 'ieder anders van karakter en doelstelling, ieder op zich veel te groot en vernieuwend om destijds te begrijpen'. En 'van ieder van die revoluties, en van de combinatie van alle vier, ging een ongekende uitstraling en opwinding uit'.
Hij noemt vervolgens als eerste de linkse studentenrevolte, 'de bezettingen, de marsen, de stakingen, de gevechten met de politie, de feministische revolutie, de seksuele revolutie, de uitbarsting van ecologische passie, (...) de bijna krankzinnige poging om het verzet te stimuleren door je anders te kleden en anders te eten, te roken, te dansen' en te vrijen.
Nummer twee is daaraan nauw verwant. Het is 'de revolutie van de geest', waarbij de pioniers 'stukjes en beetjes verzamelden van boeddhisme, beat-poŽzie, transcendentalisme, Mexicaanse folklore, psychedelische bewustzijnsverruiming, en God weet wat nog meer', en dat alles kanaliseerden in een vage nieuwe spirituele beweging (...) verre van de traditionele dode religie, 'iets dat deed trillen van opwinding en verwachting, en daarom uiterst besmettelijk was'.
Die spirituele revolutie vermengde zich met een muzikale in de rock 'n roll. 'En ook de muziek bleek besmettelijk,' aldus Berman.
Parallel daaraan ontstond binnen de katholieke kerk een crisis door de introductie van de bevrijdingsideologie in Latijns-Amerika. 'En dus leken de conservatieve instincten van het verleden terrein te verliezen en leek er sprake te zijn van een cruciale mutatie in de ontwikkeling van de menselijke persoonlijkheid'.
Revolutie drie is strikt van deze wereld. In 1968 begon in Vietnam het Tet-offensief en 'ontstond de indruk dat marxistisch-leninistische bevrijdingsbewegingen in staat waren in iedere overzeese overwegend agrarische gemeenschap te zegevieren' en dat de westerse landen daar machteloos tegenover stonden.
Ook nummer vier is werelds. Ze is als het ware de tegenhanger van nummer drie. Ze is de liberale hang naar bevrijding van het communistische juk zoals die vorm kreeg in Alexander Dubceks 'communisme met een menselijke gezicht' in het Tsjecho-Slowakije van 1968. Er ontstond het besef dat linkse bewegingen met succes in opstand konden komen tegen het sovjetcommunisme en dat omver konden werpen. 'De nederlaag van het communisme leek voor het eerst, in Praag, voorstelbaar.'
Berman constateert dat de revoluties drie en vier duidelijk met elkaar op gespannen voet stonden: 'De ene verspreidde het totalitarisme vanuit Europa over de voormalige koloniŽn, de andere ondermijnde datzelfde totalitarisme'. Berman: 'Maar de eindjaren '60 en beginjaren '70 waren jaren van oorlog en paniek, en in het lawaai en de verwarring werden de aspiraties van ieder van deze grote politieke bewegingen op een of andere wijze geprojecteerd op de andere, en begon het verzet er als hetzelfde uit te zien.'
Dit alles, aldus Berman, was 'de geest van '68', die afwisselend zichtbaar en onzichtbaar diep zou doorwerken in de daaropvolgende decennia. 'RebellieŽn in de stijl van de jaren '60 zouden een ritueel worden, en altijd waren er de rode gezichten van de reactionairen die met de vuist schudden.' Totdat in 1989 de bom in het Oostblok barstte, de Sovjet-Unie ineenstortte en het (sociaal)democratisch liberalisme en de vrije markt-ideologie zouden zegevieren, waarna die vervolgens prompt zouden ontaarden in een doorgedraaid individualisme, kapitalistische zelfverrijking en neoconservatief hegemonisme, in bepaalde regioīs resulterend in (burger)oorlog, etnische zuiveringen, gangster-tirannieŽn enzovoort enzovoort.
Berman concludeert dat het een verhaal is van twee utopieŽn (van '68 en '89'), die beide in hoge mate onderhevig bleken aan de krachten van de restauratie.
Is er een vervolg, na dit alles, na de 'relationele en maatschappelijke zelfontplooiing' van Tonkens, na de 'cruciale mutatie in de menselijke persoonlijkheid' van Berman?
Zeker. Er is het definitieve afscheid van het postmodernisme dat de naoorlogse tweede helft van de 20ste eeuw domineerde, er is hoop op de zegeningen van het transcendente integralisme met zijn nieuwe besef van sacraliteit en waardering voor contemplatie en meditatie; er is hoop op een nieuw elan vanuit de inspiratie van het taoÔsme, het dharma en het (joods-christelijk-islamitische) geloof, en vandaaruit op waarlijk universeel maatschappelijk denken en handelen. De geest van '68 laat zich niet ringeloren.


Hans Grimm

literatuur:
Evelien Tonkens: Toen zelfontplooiing nog niet egocentrisch was -de Humanist, nr. 3, 2004. Dossier Dennendal, dertig jaar later.
Paul Berman: 'A Tale of Two Utopias' (The political Journey of the Generation of 1968) - W.W. Norton & Company, 1997 - New York, London.

PS1: het stuk is van 15-08, maar er is in de dagen daarna nog enkele malen aan geschaafd (laatste revisie 22-08)
PS2: Het begrip Postmodernisme vraagt om verduidelijking; er zijn daarvoor tal van sites te raadplegen, bij voorkeur Engelstalige, want de Nederlandse zijn bijna alle even onduidelijk en chaotisch als het begrip zelf; het belangrijkste aspect van het Postmodernisme lijkt echter te zijn dat het een reactie is op het Modernisme (het Verlichtingsdenken), dat gekenmerkt werd door universaliteit, rationaliteit en vooruitgangsdenken, en de neiging tot uitsluiting van het transrationele, zoals het 'hogere' en spirituele; het gaat hier echter niet om het Postmodernisme, dat weliswaar zijn eigen verdiensten heeft maar toch vooral een laatste stuiptrekking van het Modernisme lijkt te zijn, maar om wat er op volgt.